De nieuwe Rembrandt
April 25, 2012
is een moedige poging van de AVRO om de contestformule van de populaire cultuur toe te passen op de beeldende kunst. Op zoek naar de X-factor bij beeldend kunstenaars dus. Helaas zijn de programmamakers met open ogen in de gapende valkuil gelopen. Moderne beeldende kunst appelleert in tegenstelling tot popmuziek niet direct aan de smaak van een groot publiek zodat er niet direct identificatie met de kunst en/of kunstenaar optreedt. Dat zou ondervangen kunnen worden door meer tijd te besteden aan de introductie van de kunstenaar, zijn of haar ontwikkeling en de drijfveren achter het getoonde kunstwerk. Merkwaardig genoeg is gekozen voor het andere uiterste: in sneltreinvaart passeren zonder toelichting kunstwerken waarbij de kijker vaak maar enkele seconden beschouwingstijd wordt gegund.
Veel meer tijd wordt gegund aan de jury, waarschijnlijk in de verwachting dat zij de informatie verstrekken waardoor de kijker geboeid raakt. Ook deze plank wordt faliekant misgeslagen: kunstenaar Krabbe komt niet verder dan het uiten van onderbuikgevoelens; de dame/directeur van het AKZO-aankoopfonds doet een poging tot beschrijving maar komt niet tot duiding en de alom als nieuwe Pierre Jansen aangekondigde museumdirecteur Tempel lost zijn verwachting niet in. Het juryberaad is een aaneenschakeling van inconsistenties en primaire reacties: het ene conceptuele werk wordt te bedacht bevonden terwijl het ander zonder nadere verklaring interessant is; goed schilderwerk wordt de ene keer als kwaliteit aangemerkt en de volgende keer als vlak afgedaan maar het meest ergerlijk blijft het gebruik van de mantra ‘ ik heb er niets mee’.
In dat licht bezien is de mildheid waarmee afgewezenen het jury-oordeel ondergingen, het meest opmerkelijk. Als troost verwijs ik hen graag naar het essay van Simon Schama over Rembrandt. Ook hij moest zich onderwerpen aan kritiek van deskundigen bij een geschil met een opdrachtgever. Zijn vernietigende oordeel over deze kunstkenners heeft hij samengebald in een venijnige pentekening Satire op de kunstkritiek die in het bezit is van het Metropolitan Museum. Wellicht een mooi format voor een nieuw programma.
Organisatorische mis(ver)standen
April 1, 2012
mijn oog valt op een personeelsadvertentie in de Volkskrant. Twee gerenommeerde Brabantse kunstinstellingen zoeken een controller/administrateur. In de toelichting staat dat deze functionaris eindverantwoordelijk zal zijn voor de financiele en zakelijke aspecten. En verder wordt vermeld dat in deze functie gerapporteerd dient te worden aan de directeur.
Het is in alle eenvoud een fraai voorbeeld van de gebrekkige organisatiekunde bij kunstinstellingen. De functie van controller is een typische staffunctie die de directie moet helpen om controle te houden over begrote uitgaven en inkomsten. Hier kan nooit een financiele eindverantwoordelijkheid aan gekoppeld worden want die is voorbehouden aan de directie. Er wordt dus voor een ondersteunende functie geworven die met directionele bevoegdheden wordt bekleed.
Dit misverstand is daarom zo interessant omdat het inzicht geeft in de wijze waarop kunstinstellingen nogal eens tegen de financiele huishouding aankijken: een noodzakelijk kwaad dat iemand moet beteugelen met liefst zo min mogelijk sores. Dit beeld komt nog veel indringender naar voren uit ons onderzoek naar gesubsidieerde podiumkunstinstellingen waaruit blijkt dat zeker het artistieke deel van de directie nauwelijks tijd en aandacht heeft voor de geldelijke kant van het door hen aangestuurde artistieke proces.
De controlfunctie is in kunstinstellingen dan ook vaak onderontwikkeld en de facto niet veel meer dan het zorgvuldig administreren van geldstromen. In onderhavige personeelsadvertentie wordt daar al omineus op ingespeeld achter de schuine streep. Ik voorspel een lastig aanstellingsproces; een ambitieuze controller zal snel aanlopen tegen de beperkte actieradius terwijl een bescheiden boekhouder bekritiseerd zal worden vanwege terughoudendheid.
Deze vacature zou naar mijn mening voorzien moeten worden van een waarschuwing dat deze functie een hoog frustratierisico kent.
Der Kulturinfarct
March 19, 2012
is een publicatie waarin vier Duitse cultuurwetenschappers een verfrissend geluid laten horen in het Duitse cultuurdebat. Nadat het Nationaal Socialisme cultuur misbruikt had voor propagandistische doeleinden, is een budgettair-ruimhartig en inhoudelijk-liberaal overheidsbeleid decennialang onbetwist geweest. Het recht om in vrijheid kunst te maken, is zelfs opgenomen in de Duitse grondwet. Het is niet voor niets dat veel Nederlandse kunstenaars graag naar onze oosterburen verwijzen als het beleidsparadijs.
Het internationaal vergelijkend onderzoek dat ik de afgelopen jaren heb gedaan met mijn Vlaamse collega’s laat ook een andere kant van het Duitse bestel zien. Het vele subsidiegeld dat in Duitsland aan kunst wordt besteed (per hoofd van de bevolking drie keer meer dan in Engeland) houdt een dichte culturele infrastructuur in stand met veel bureaucratische trekken. De documentaire over Johan Simons als intendant bij de Munchner Kammerspiele die we onlangs op de Nederlandse televisie konden zien, geeft daar hilarische voorbeelden van. Het vele subsidiegeld zorgt in Duitsland dus niet automatisch voor optimale omstandigheden, niet in artistiek maar zeker ook niet in economisch opzicht.
De grootste kritiek op het Duitse beleid is echter de ondermaatse maatschappelijke belangstelling. In Engeland kennen de gesubsidieerde podiumkunsten een participatiegraad van 40% van de totale bevolking (20 mln bezoeken op een bevolking van 51 mln) terwijl in Duitsland de veel beter bedeelde podiumkunsten slechts op 22% uitkomen ( 18 mln bezoeken op 82 mln inwoners). Bovendien weten we ook uit de documentaire rond Johan Simons dat in Duitsland het bezoek aan gesubsidieerde kunsten in hoge mate is voorbehouden aan de maatschappelijke bovenlaag.
Nadat Sarazin het minderhedendebat in Duitsland uit de taboesfeer heeft gehaald, was het wachten op een vergelijkbare actie op het gebied van kunst en cultuur. De vier auteurs kunnen rekenen op de grootst mogelijke weerstand uit eigen kring maar ze zullen ongetwijfeld gedreven worden door de ambitie de kunsten vooruit te willen helpen. Op mijn sympathie kunnen ze rekenen.
Wrecking Ball
February 24, 2012
is de titel van het nieuwe album van Bruce Springsteen. Er is een weldoordacht communicatietraject uitgezet in aanloop naar de lancering op 5 maart. De artiest heeft de Europese vakpers in een Parijs’ theater ontvangen voor een prelistening en conference. Dat leverde mooie verhalen op onder meer in Volkskrant en NRC. Daarnaast zijn verschillende media in de gelegenheid gesteld iedere dag een nieuw nummer van het album via hun website aan te bieden. Zo heb ik de afgelopen dagen de eerste vier nummers van de tracklist intensief beluisterd en groeide mijn betrokkenheid en nieuwsgierigheid.
Gisteravond laat verraste mijn stiefdochter mij met het hele album, uiteraard illegaal gedownload. Meewarig had ze mijn afluisterpraktijken per nummer op afstand gevolgd en besloten mij in een klap uit of in de droom te helpen. Deze goed bedoelde actie sorteerde vooral verwarring: enerzijds de instant bevrediging anderzijds de ruw verbroken spanningsboog en dat alleen nog maar vanuit het perspectief van de consument. Daarnaast het ongemakkelijke gevoel dat artiesten de zeggenschap over de verspreiding van hun creaties kwijt zijn. In het geval van Springsteen is de financiele kant daarvan niet eens het ergste; bij hem geldt de nieuwe economische wetmatigheid dat albums vooral de functie hebben publiek naar optredens te lokken. Zijn tournees kennen een schaal waarop je inderdaad groot kunt cashen maar hij behoort tot een kleine superleague. In zijn geval telt vooral dat de zorgvuldig opgebouwde tactiek van ‘uitleggen en verleiden’ in de beste traditie van de Franse cultuurfilosoof Bourdieu wordt verstoord.
Overigens valt de schade bij mij mee. Ik vind het een meesterwerk omdat Springsteen zich wederom laat kennen als singer/songwriter die een geluid en duiding geeft aan de tijd en samenleving waarin hij leeft. Dat is voor mij het cruciale criterium ter bepaling van echte kunst.
Pop en de bezuinigingen
January 16, 2012
Net als vorige jaren mocht ik dit jaar weer een bijdrage leveren aan het Noorderslagseminar. Onderwerp was de bezuinigingen en hoe je daar mee om moet gaan. Mijn opvatting is dat de popsector weinig last zal hebben van de aangekondigde bezuinigingen omdat de afhankelijkheid van overheidssubsidies veel minder is dan bij andere kunstsectoren. Des te opvallender is de boosheid in popkringen over de kunstbezuinigingen van dit kabinet, afgelopen zaterdag prominent verwoord door Lowlandsdirecteur Eric van Eerdenburg.
Hoe anders was dat twintig jaar geleden toen de Stichting Popmuziek Nederland zich heftig te weer stelde tegen de almaar uitdijende subsidies voor symfonieorkesten, operagezelschappen en andere ‘hogere’ cultuuruitingen. Onder de noemer ‘ Kunst is oorlog’ werd toen actie gevoerd om popmuziek een meer serieuze plek in het kunstbeleid te geven. Daar is weinig tot niets van terecht gekomen want niet alleen zijn de subsidiebudgetten voor pop nog steeds marginaal maar inmiddels is ook het belangrijkste wapen van de sector, de eerder genoemde stichting, onklaar gemaakt.
Dramatisch is dat niet want de popsector heeft zich zonder overheidsbemoeienis ook goed ontwikkeld: Nederlandse DJ’s zijn wereldwijd toonaangevend; er is een grote dynamiek in de bandcultuur zoals Noorderslag ieder jaar weer bewijst en de publieksbeleving is enorm, gelet op het succes van festivals zoals Lowlands. De overheidssteun voor deze ontwikkelingen is miniem. Hoe vreemd is het dan dat uit deze kringen zulke luide protesten tegen het bezuinigingsbeleid worden vernomen. Wil de popsector wellicht salonfahig worden?
Leiderschap in problemen
December 13, 2011
Bij twee gerenommeerde cultuurinstellingen zijn de afgelopen dagen problemen met de directie naar buiten gekomen. Het Groninger Museum meldde dat algemeen directeur Kees van Twist op een zijspoor is gezet omdat gebleken is dat de financiele huishouding structureel niet op orde is. Vandaag bericht de Volkskrant uitgebreid over een leiderschapscrisis bij het Nederlands Architectuur Instituut. Algemeen directeur Ole Bouman zou over te weinig leidinggevende kwaliteiten beschikken en de zakelijk directeur zou in dit vacuum gestapt zijn met alle onduidelijkheid vandien. Dit althans is de visie van de staf en wat er ook van waar is, door deze perceptie lijkt er een onwerkbare situatie te zijn ontstaan. Omdat ik van beide gevallen geen specifieke informatie bezit, onthoud ik mij van een oordeel.
Wel wil ik benadrukken dat het hier geen uitzonderingen betreft; de culturele sector kent talloze leiders die voortijdig hun post hebben moeten verlaten. Oorzaken daarvoor dienen breder gezocht te worden dan louter de persoonlijkheid en competenties van de directeur. De beleidsomgeving en de prikkels die daarvan uitgaan; de samenstelling van besturen en de selectieprocessen bij vacatures; de mores in de sector zijn factoren die van invloed zijn op de keuze voor directiefuncties. In onze recent verschenen studie wordt daar uitgebreid op in gegaan. Daarnaast kan niet genoeg benadrukt worden dat leidinggeven in culturele instellingen zeer complex is vanwege kwaliteit,betrokkenheid en assertiviteit van medewerkers.
In de AngloSaksische landen is het besef dat het hier ‘a hell of a job’ betreft , allang doorgedrongen en dat heeft geleid tot hoogwaardige Cultural Leadershipcourses naast speciale MBA’s voor de Arts&Culture. Helaas zijn we in Nederland (nog) niet zover en daarom zullen de berichten over directies die in de problemen komen nog wel aanhouden.
‘De selectie wordt moordend’
November 4, 2011
zo citeerde Claudia Kammer in NRC George Lawson bij de presentatie van het nieuwe subsidiebeleid van het Fonds Podiumkunsten. Of hij daarbij tevreden of bezorgd heeft gekeken, wordt niet beschreven. Tevredenheid past bij de aangekondigde nieuwe maatregelen. Er is gekozen voor outputsubsidiering in plaats van de ongerichte exploitatiesubsidies en daarbij wordt publieksbereik richtinggevend. Ook de vereenvoudiging van de spelregels is een stap in de goede richting. De maximering van het te subsidieren bedrag vind ik minder geslaagd en lijkt meer ingegeven door defensieve overwegingen. Het Fonds Podiumkunsten beweegt dus in goede richting en toch overheerst somberte. Reden is de verwachte tsunami aan subsidieverzoeken waarvan velen kopje onder zullen gaan door de beperkte middelen. In dat perspectief is de gelaatsuitdrukking van de directeur van het fonds relevant. Overheerst tevredenheid dan toont hij zich de dijkgraaf die met vertrouwen de vloedgolf tegemoet ziet omdat hij zijn dijken voldoende verstevigd heeft. Is hij vooral bezorgd dan toont hij zich begaan met het lot van de drenkelingen waarvan hij weet dat de meesten het niet overleven. Vooralsnog lijkt niemand zich dat lot aan te trekken als we afgaan op het beleid dat zowel op het ministerie als bij het Fonds wordt ontwikkeld. Er wordt obligaat geklaagd over bezuinigende overheden en gaat voorbij aan de eigen mogelijkheden om iets aan de situatie te doen.
George Lawson heeft eerder bewezen dat het ook anders kan. Als hoofd van de afdeling toneel op het ministerie heeft hij in de tachtiger jaren een plan ontwikkeld waar de toneelsector in Nederland veel voordeel van heeft genoten. Draagvlak daarvoor werd gecreëerd door de breed samengestelde commissie De Boer. Een dergelijke vorm van beleidsregie is nu meer dan ooit nodig. Door middel van inhoudelijke sturing kunnen talenten behouden worden en door economisering kan meer overeind gehouden worden.
Als Lawson zich werkelijk bekommert om de podiumkunsten dan verschanst hij zich niet tevreden achter zijn versterkte dijk maar neemt het initiatief tot een reddingsplan.
Tegen kunstsubsidies?
October 29, 2011
Het overkomt me met enige regelmaat dat ik mensen tegen kom die er als vanzelfsprekend vanuit gaan dat ik tegen kunstsubsidies zou zijn. Sommigen kennen mij al langere tijd en zijn op de hoogte van veel activiteiten waarin ik mij naar vermogen inzet voor de kunst.
Zelfs deze mensen maken een karikatuur van mijn opvattingen en ik moet mij realiseren dat waarschijnlijk meerderen er zo ver denken. Daarom hier een kernachtig statement:
- Ik ben niet tegen kunstsubsidies en nooit geweest ook. Ik vind kunst een uiterst belangrijke waarde voor de mens en ben van mening dat de samenleving daarin moet investeren.Dat is mijn opvatting als burger van deze samenleving en daar baseer ik mijn politieke keuze op.
- Als econoom ben ik van mening dat subsidies aan kunst goed moeten worden gebruikt zoals dat ook bij andere subsidies zou moeten. En daar wringt de schoen want in Nederland betwist ik de effectiviteit van kunstsubsidies en is het systeem van kunstsubsidiering zeer inefficiënt. Bovendien denk ik dat dit systeem verkeerde signalen geeft aan de kunstenaars zelf waardoor de kunstontwikkeling geschaad wordt. Voor mij persoonlijk is dat laatste het belangrijkste motief om in actie te komen.
- Ik zeg dat niet uit de losse pols maar na zorgvuldig onderzoek waarop ik in2005 gepromoveerd ben. Sindsdien heb ik mij bijzonder ingespannen om betrokkenen inhoudelijk te overtuigen dat het kunstbeleid in Nederland op de schop moet. Ik voel hier een grote persoonlijke verantwoordelijkheid omdat ik dit systeem in de jaren tachtig mede zelf heb vorm gegeven.
Mijn ambitie is het kunstbeleid in Nederland te helpen hervormen zodat kunstenaars gestimuleerd worden het beste uit zichzelf te halen en dat deze kunst de samenleving zoveel mogelijk kan verrijken.


Vanuit een persoonlijke fascinatie kwam hij op jeugdige leeftijd in een kunstzinnige omgeving terecht. Ondanks verwoede pogingen mislukte een carrière als kunstenaar maar werd hij wel door kunstenaars ingeschakeld bij hun economische problemen. [
